


Het resultaat laat zich beschrijven als een mutatie van de oorspronkelijke open verkavelingstructuur. De aandacht is vooral uitgegaan naar de onbebouwde tussenruimte die in de oorspronkelijke situatie slechts fungeerde als restruimte. Door beide middelste nieuwbouwstroken een holle vorm te geven is een centrale buitenruimte ontstaan: een besloten hof die is ingericht als een watertuin met klimplanten. Tussen de bolle zijden van de middenstroken en de rechte buitenstroken zijn atria gemaakt die de vier nieuwbouwblokken paarsgewijs ontsluiten. Deze atria zorgen voor een beschut woonklimaat dat het beste aansluit op de wensen van de oudere bewoners.


De seniorenwoningen zijn driekamerwoningen met een zodanige opzet dat kamers gemakkelijk kunnen worden samengetrokken. De rechte blokken hebben aan de buitenzijde naar voren springende balkons; de woningen in de gekromde blokken zijn voorzien van ‘french windows’. Dit onderscheid tussen ‘harde’ buitenzijde en ‘zachte’ binnenzijde keert ook terug in de materialisering van de gebouwen.







